Europese staatsschuldencrisis

De Europese staatsschuldencrisis (of eurocrisis) brak eind 2009 uit toen Griekenland door de gevolgen van de wereldwijde kredietcrisis zijn schulden niet meer zelfstandig kon financieren. Deze crisis legde een fundamenteel zwak fundament van de eenheidsmunt bloot, aangezien het Groei- en Stabiliteitspact - dat begrotingstekorten tot maximaal 3% van het BBP moest beperken - al in 2004 flagrant werd geschonden door juist de grondleggers van de EMU, Frankrijk en Duitsland. Na Griekenland dreigden meerdere landen technisch failliet te gaan, waardoor de monetaire unie op verschillende momenten ernstig gevaar liep, tot er rond medio 2014 (met uitzondering van Griekenland) een voorlopig einde aan de crisis kwam. De oorzaken lagen in sterk gestegen overheidsschulden door dalende belastinginkomsten en stijgende uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen en reddingsoperaties, waardoor landen als Italië en Griekenland rond 2008 op een schuldniveau van circa 100% van het BBP zaten. Opvallend is verder dat de Europese begrotingsregels vrijwel nooit werden nageleefd: België en Italië overtraden ze vrijwel ieder jaar, terwijl slechts Finland en Luxemburg zich altijd aan de criteria hielden - en er werd nooit een enkele boete opgelegd.