Hoofse liefde

Hoofse liefde (of hoofse minne) was een verfijnde, middeleeuwse vorm van liefdesbeleving die uitsluitend voorkwam in de hogere kringen, waarbij een troubadour, edelman of ridder een onbereikbare, meestal gehuwde vrouw bewonderde. Deze relatie was vaak platonisch en de intense passie werd geacht een louterend effect op de beoefenaar te hebben, al is het onder historici nog steeds onduidelijk of er daadwerkelijk seksuele gemeenschap plaatsvond. De bijbehorende dichtkunst en muziek bloeide vooral in de Franse Provence, terwijl in Noord-Frankrijk de hoofse roman zich ontwikkelde (met Chrétien de Troyes) en in de Nederlanden Hendrik van Veldeke een belangrijke vertegenwoordiger was. Ook in riddertoernooien speelde de hoofse liefde een grote rol, waarbij ridders hun overwinningen opdroegen aan hun onbereikbare geliefde. De idealen werden vastgelegd in werken zoals het traktaat De amore van Andreas Capellanus (ca. 1200), en later geanalyseerd door historici als Johan Huizinga in zijn beroemde Herfsttij der Middeleeuwen (1919). Kortom, het was een cultureel ideaal dat de middeleeuwse literatuur, muziek en riddercultuur diepgaand beïnvloedde.