Geschiedenis van de spoorwegen in Nederland

De eerste spoorlijn van Nederland werd geopend op 20 september 1839 door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM), met de locomotieven Arend en Snelheid over het traject Amsterdam – Haarlem. Deze lijn, later verlengd via Leiden en Den Haag tot Rotterdam (de Oude Lijn), werd voornamelijk voor reizigersvervoer aangelegd, terwijl het vrachtvervoer door de goedkope binnenvaart bleef domineren. De tweede hoofdlijn was de Rhijnspoorweg van de NRS, die in 1843 Amsterdam met Utrecht en Arnhem verbond en in 1856 de eerste aansluiting op het Duitse spoorwegnet bij Emmerich opleverde. In het zuiden werden door buitenlandse maatschappijen de eerste internationale lijnen geopend: Aken – Maastricht in 1853 en Antwerpen – Roosendaal in 1854. Technisch verrassend was de keuze voor breedspoor (1945 mm) voor de eerste Nederlandse lijnen, maar dit werd later gewijzigd naar normaalspoor (1435 mm) om de aansluiting op de Duitse lijnen mogelijk te maken. Hiermee werd de fundering gelegd voor het moderne Nederlandse spoornetwerk, dat na verloop van tijd volledig in normalspoor werd uitgerust.